Carel Peeters verbaast zich er in zijn eerste ‘Kroniek van de roman’
over dat Godenslaap van Erwin Mortier de AKO Literatuurprijs heeft
gekregen: ‘Er zijn zinnen en vergelijkingen, waarvan het mij niet
duidelijk is of het schitterend dan wel al te mooi is gezegd.’ Debutant
Frank Scheelen begint zijn verhaal met de woorden: ‘Alma maakte de
indruk weggescharreld te zijn uit een Grimm-sprookje. Ze had het
zorgvuldig gecultiveerde uiterlijk van een boosaardige heks op
strooptocht. Ik observeerde haar vanuit mijn ooghoeken, wanneer ze stil
en ongenaakbaar op haar kruk zat in de kroegen die ik tijdens mijn
studie frequenteerde. Een kleine, frêle vrouw van in de vijftig.
Ze ging steevast gehuld in een zwarte jurk die haar bleke schouders en
hals bloot liet, donkere kousen en puntige muiltjes.’ En de andere
debutant, Gilles van der Loo, beschrijft een vakantieweekend van een
vader en een zoon in Palermo: ‘Hij is aan het flossen met een draad ter
breedte van een meetlint. Blijkbaar heeft hij geen kunstgebit. In
ieder geval niet aan de bovenkant. Hij trekt de draad tussen zijn
tanden vandaan, kijkt er even naar en wikkelt hem nog eens extra om
zijn vingers. Dan kijkt hij naar mij, laat zijn handen zakken tot
ze op de rand van de wasbak leunen: “Zeg het eens?”’
Michel Hoffer schrijft in zijn essay over Joseph Fouché: ‘Er
zijn mensen die een schurk des te sympathieker vinden naarmate hij
andere schurken een loer draait. Neem nou Churchill, die ooit aan
Stalin vroeg wat hij met de koelakken had gedaan, en toen Stalin
antwoordde dat hij ze om zeep geholpen had, stak Churchill er een
sigaar bij op. Stalin had Hitler toch verslagen? Nou dan.’ In
tegenstelling tot zijn collega-schurk Stalin is Joseph Fouché
haast volkomen vergeten.
Verder verhalen van Monica Metz over de HaHoHa-avonden van de
zondagsschool, waar iedereen zich met HAnd, HOofd en HArt diende in te
zetten, een essay over Vondel en zeven nieuwe gedichten van Willem Jan
Otten, poëzie van Jan H. Mysjkin, Lieke Marsman, Peggy Verzett en
Charl-Pierre Naudé en stukken van Wanda Reisel en Thomas Verbogt
over het werk van Gerard Reve, respectievelijk De ondergang van de
familie Boslowits en De Avonden. Na lezing van De Avonden op zijn
dertiende begon Verbogt ‘poëzie te begrijpen en Franse films
waarin het altijd donker was en regende en iedereen elkaar voortdurend
alleen maar aankeek’.
Willem van Spronsen, diens ‘laatste leerling’, schrijft over zijn
herinneringen aan Marten Toonder, Piet Gerbrandy over de erotiek in het
werk van Hans Faverey, Joost de Vries over de bejubelde roman Let the
Great World Spin van Colum McCann en W.J.A. Cornelissen over de
verdwenen arbeiders en de veranderende arbeidsethos. Weet u eigenlijk
waarom u werkt?
Extra informatie:
Ingenaaid: paperback,kaft slap, 129 pagina's
Verschenen: maart 2010
Gewicht: 267 gram
Formaat: 244 x 156 x 9 mm
Oorschot B.V.

|
, Tirade / 432 / 2010 Nr 1 Prijs Euro 12.50
|
Bij u in huis op: woensdag Betaal vóór: 18:25
|
| Andere titels binnen de rubriek: |
| Literaire tijdschriften
|